Marcus van Houwaert

kritisch beschouwd door Frans Coenen
in 1921

Het boek Marcus van Houwaert, een socialistische onderwijzersroman van A.M. de Jong, kwam in 1920 uit. In 1921 werd de roman tegen het licht gehouden door Frans Coenen in het literair tijdschrift Groot Nederland:

“Marcus van Houwaert is de zoon uit een verarmde bankiersfamilie. Zijn vader ging failliet en beging zelfmoord. Door een oom en tante opgenomen, is zijn eenige toekomst onderwijzer worden. En dus haalt hij de acte en krijgt zijn benoeming aan een volksschool in de groote stad.
Maar Marcus is gansch niet blij met dat succes, hij, die het vroeger zoo anders gewend was en een ‘schitterende carrière’ verwachtte. Hij voelt zich hopeloos gedaald en verproletariseerd, heeft weerzin tegen zijn werk en tegen zijn collega’s, maar het meest is hij wrokkend afkeerig van de grauwe omgeving en de gore, stompe kinders, zijn leerlingen. Hooghartig besluit hij boven die benauwde omgeving te blijven staan in zelf gekozen isolement, als een koningszoon in ballingschap. Maar allengs doet toch zijn van nature goed hart zich gelden tegenover zooveel ellende, en wordt Marcus’ onderwijzersleven een langzame maar onthoudbare opgang. Weg van de enkel zelfzuchtige carrière-bedoelingen naar de hoogten van algemeen menschelijk meegevoel en…. naar het socialisme. En ’s boeks einde ziet hem een gelouterd, geestdriftig medestrijder voor een betere samenleving, onder de glorierijke vanen der Sociaaldemocratie. Zulks niettegenstaande een belemmerend tusschenspel, te weten een engagement met een schatrijk dame-meisje, waardoor hij gedwongen wordt schier boven zijn macht te werken aan een positieverhooging, die hem eerst tot aannemelijken huwelijkscandidaat zal maken. Als dat meisje hem dan na eenigen tijd ruwweg afzegt, krijgt hij, bovendien door de overmatige inspanning verzwakt, een gevaarlijke hersens koorts, die tevens de crisis in zijn leven beduidt. Beterende, leert hem een lief collega-onderwijzeresje plotseling inzien, hoe hij het meisje enkel uit ijdelheid, om haar stand wilde en zijn liefde louter ‘verblinding’ was. Vrage: indien de valsche liefde hier op aarde reeds hersen koorts bezorgt, als zij bedrogen wordt, wat zal ons dan de echte niet doen? Maar dit zij tot daaraan toe.

De auteur bedoelde enkel te zeggen, dat een band tusschen de ideaallooze, zelfgenoegzame, enkel het stoffelijke begeerende bourgeoizie en het edel onzelfzuchtig proletarisch gevoel zelfs in ’t beste geval een vergissing en zelfbedrog moet zijn. En dat is lief, maar doet alreeds wat ouderwetsch aan, die verzekerdheid der alleenzaligmakende kracht van het socialisme, na….. alwat wij sedert beleven mochten. Hier is duidelijk de proletarische romantiek van de negentig jaren der vorige eeuw, toen het socialisme, en speciaal de S.D.A.P., nog alles scheen te beloven, toen de jonge S.D.A.P. ers humanitaire helden waren en alle bourgeoisie ‘verrot’ en het sterven nabij.

Misschien gevoelt de heer De Jong mettertijd nog eens de behoefte een echt kunstwerk te maken, waar het gaat om de menschen, alle menschen, en niet enkel om de proletariërs
en den vooruitgang.

Toen werden er meer zulke boeken geschreven, met niet zoo heel veel beeldende kracht, maar vol ethische sentiment en scherpe redeneering en doordringende maatschappij-beschouwing, boeken als vlammende aanklachten en ook wel als vlammende…. brochures. De kunst leed er een beetje nood bij, maar wat kon ons de kunst schelen, waar de gansche maatschappij nood leed en het proletariaat hongerde! Sedert is er in zoover vooruitgang te bespeuren, dat in dit boek de kunst een eigen plaats mag innemen en de kunstenaar niet enkel een zelfzuchtige armoedzaaier heet.
Die kunstenaar is zelfs de meest levende personage geworden onder al die opzetten en omtrekken van menschen, die door het vele, dat de schrijver te zeggen had en door den gloed zijner overtuiging belemmerd werden tot gave menschbeelden uit te groeien. Of dat inderdaad zou gebeurd zijn, als de auteur minder maatschappelijk geoccupeerd ware geweest, is natuurlijk niet te zeggen. De soms zeer levende kinder- en schoolscènes doen het echter hopen. Misschien gevoelt de heer De Jong mettertijd nog eens de behoefte een echt kunst-werk te maken, waar het gaat om de menschen, alle menschen, en niet enkel om de proletariërs en den vooruitgang. En waarin niet zoo veel geredeneerd wordt over dingen, die eigenlijk nu al zoo lang in confesso zijn.”



F.C.


Marcus van Houwaert door A.M. de Jong.
Van Dishoeck. Bussum. 1920.
Bron: Groot Nederland (1921), jaargang 19 in https://www.dbnl.org/



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

Maak je eigen website aan bij WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close