Zijn vrienden


Op deze plaats besteden we aandacht aan belangrijke personen in het leven van A.M. de Jong. Dit zijn mensen die hem beïnvloed hebben of hem heel dierbaar waren, zoals George van Raemdonck en  Israël Querido.

George van Raemdonck (1888-1966)

George van Raemdonck. portretfoto uit 1960 (72 jaar)

In 2014 was het een eeuw geleden dat George van Raemdonck, als één van de vele Belgische vluchtelingen,  naar Nederland kwam. George van Raemdonck en A.M. de Jong leerden elkaar in 1917 kennen en hebben jarenlang een hechte vriendschap en vruchtbare samenwerking gekend. 
Bulletje en Boonestaak is wellicht het bekendste gezamenlijke product.

Er waren dus redenen genoeg om George van Raemdonck in 2014 
prominent op een voetstuk te plaatsen.

Met honderden enthousiaste bezoekers, mooie recensies in de media en complimenten aan het adres van onze vrijwilligers, is de tentoonstelling over George van Raemdonck op zaterdag 27 september 2014 afgesloten. 
Voor het A.M. de Jongmuseum was het vooral een mooie uitdaging om in de expositie één dimensie extra te belichten: de hechte zielsverwantschap tussen A.M. de Jong en George van Raemdonck. 
In november 2014 was de tentoonstelling te zien in Boechout (B).

“George van Raemdonck, de ambassadeur van de Vlaamse spotprentkunst in Nederland”. zo kunnen we het lezen in het boekje dat Karel De Decker over hem schreef in de reeks Vlaamse Toeristische bibliotheek van de VTB nr. 161 van mei 1973, een eretitel welke Van Raemdonck zeker verdiende.

Wie was echter deze man?  De meeste zullen de schouders ophalen, misschien dat er in Boechout nog enkele oudere mensen zijn die hem gekend hebben, maar de rest …

George van Raemdonck werd geboren te Antwerpen op 28 augustus 1888 als zoon van een welstellende familie, zijn vader was apotheker op het Hopland te Antwerpen maar scheen zich wel liever met schilderen bezig te hebben gehouden dan met pillendraaien.

Van zijn prille jeugd weten we niet zo heel veel, George groeide op in de havenstand onder toezicht van een strenge vader en een Franse moeder.

Toen hij 15 was, werd hij ingeschreven in de Academie te Antwerpen en volgde er lessen van 1903 tot 1908.  Van 1908 tot 1914 studeerde hij aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen en volgde er landschapschilderen o.l.v. Frans Courtens.

In de Academie van Antwerpen

Eigenaardig genoegd wil hij van tekenen of schilderen zijn beroep niet maken maar is wel van plan in de muziek zijn heil te zoeken en volgt daarom viool aan het Conservatorium en bezoekt vele concerten.  Ondanks zijn virtuositeit met de viool kan hij de top in de muziekwereld niet bereiken, hij stopt dan ook met deze carrière en legt zich terug toe op het tekenwerk.

Op 29 juli 1909 nog tijdens zijn studies aan het Hoger Instituut verlaat hij het ouderlijke huis en gaat in Zwijndrecht bij Antwerpen wonen en leeft er als een echte bohémien.  In deze periode maakt hij vooral schilderijen waaronder verschillende unieke werken.

Op 12 april 1913 huwt hij te Zwijndrecht Adriana Denissen en op 21 februari 1914 wordt hun eerste dochtertje Pauline geboren.

Zwijndrecht, kort voor de vlucht naar Nederland

Bij het uitbreken van de oorlog in augustus 1914 vlucht Van Raemdonck met zijn gezin naar Nederland zoals vele Belgische kunstenaars (Marnix Gijsen, Jef Van Hoof, Oscar Van Hemel…) hij vlucht dus niet naar Engeland zoals wel eens foutief wordt beweerd, daar was hij slechts korte tijd in 1913, voor zijn huwelijk.

Dat hij niet bij de pakken blijft zitten, merken we aan de tentoonstelling die hij reeds op 20 november 1914 organiseert in Bloemendaal en een beetje later in Amsterdam.  Hij vindt werk bij ‘De Amsterdammer’ als karikaturist (kartoenist).  Op 6 december 1914 verschijnt in dit blad zijn eerste politieke tekening ‘De nijvere Bertha’.

Nijvere Bertha

Op 22 februari 1916 wordt de tweede dochter geboren Anna.

Het is in mei 1917 dat Van Raemdonck kennis maakt met de schrijver A.M. de Jong.  Deze ontmoeting leidt vlug tot vriendschap.  Het is dan ook niet verwonderlijk dat zo veel boeken van De Jong door Van Raemdonck werden geïllustreerd.

Doch buiten deze boekillustraties bleef hij verder werken voor de krant en verluchtte hij ook werk van andere schrijvers o.m. in 1919 een kerstvertelling van Felix Timmermans.

In mei 1922 beginnen de twee vrienden-kunstenaars De Jong-Van Raemdonck aan een nieuw project, nl. het stripverhaal  ‘Bulletje en Boonestaak’.  Op 2 mei 1922 verschijnt de eerste aflevering in ‘Het Volk’ en deze loopt tot 17 november 1937 in ‘Het Volk’ en in ‘De Voorwaarts’.  De tekst was steeds van A.M. de Jong en George maakt in de 15 jaren 8.856 tekeningen voor het stripverhaal.  Het stripverhaal deed in die periode ook heel wat stof opwaaien dor de gebruikte spreektaal, de scheldwoorden en ook wel de rauwe tekeningen (zoals het tekenen van verminkte lichamen, soms bloot! …) en de gebruikte motieven zoals slavernij, kolonialisme, imperialisme, anti-militarisme, kapitalistische woeker, invloed van de godsdienst, …

Het succes van de strip was zo groot dat de bekende firma Van Nelle een reeks boekjes uitgaf met in totaal 178.441 exemplaren.  In deze versie werd hier en daar een toegift gedaan zoals b.v. een zwembroekje voor de zwemmende vrienden Bulletje en Boonestaak of het vervangen van een rover, Zwarte Jack, die in het oorspronkelijk verhaal een dominee was, door een sheriff…

Tussen 1951 en 1959 werden er een 18 deeltjes herdrukt bij de N.V. Arbeiderspers te Amsterdam en in 1968 tot 1974 nog een 5-tal deeltjes bij dezelfde uitgeverij.

In de jaren 1925 tot 27 wordt er door de firma Van denBergh, fabrikanten van de Blue Bandmargarine een tijdschrift uitgegeven dat weerom de twee vrienden van een stripverhaal voorzien nl. ‘De avonturen van Appelsnoet en Goudbaard’ twee kabouters die zeer spannende avonturen voor jonge kinderen beleven.

En zo gaat dat tekenwerk maar door in Nederland tot van Raemdonck besluit terug te keren naar België en op 12 november 1928 dit ook daadwerkelijk doet.  Hij vestigt zich eerst terug te Zwijndrecht en daarna te Antwerpen in de Stefaniestraat nr. 71.  Wat in Nederland als bijna vanzelfsprekend was, moet hij thans in België terug bewijzen.  Van een onbekende Belgische vluchteling tot een bekend en gevierd tekenaar worden.

Van Raemdonck tekent vooral ’s avonds en ’s nachts terwijl hij in de dag rustig de krant leest en/of in zijn tuin werkt.  Tekenen beschouwt George niet volledig als kunst, schilderen dat is kunst en daar kan hij in België terug meer starten, in Nederland ontbrak hem de tijd.

In 1931 organiseert men in Antwerpen een tentoonstelling van zijn schilderwerk.

Op 30 januari 1933 wordt Hitler beëdigd als Rijkskanselier en vanaf dat moment beginnen van Raemdonck en De Jong een strijd tegen het facisme met hun potlood en pen., in ‘De Notenkraker’ verschijnen tot 1935 regelmatig anti-fascistische stukjes.

Ondertussen schrijft De Jong ‘Merijntje Gijzens jonge jaren’ waarvoor van Raemdonck  de omslagen tekent.  In 1936 begint men aan de verfilming van deze boeken, film die op 17 september 1936 in première gaat.  Als we in de reeks Gijzen-boeken nl. ‘Een knaap wordt man’ goed tussen de regels lezen, zien we dat Merijntje die kennis maakt met de schilder Moonen, in werkelijkheid met Van Raemdonck kennis maakt die duidelijk model stond voor deze verhaalfiguur.

Op 29 oktober 1938 verhuist van Raemdonck van Antwerpen naar Kapellen en later naar Edegem.  De dreiging waarvoor beide kunstenaars jarenlang hadden gewaarschuwd, werd werkelijkheid en Hitler valt zoals bekend achtereenvolgens zijn buurlanden aan met alle gevolgen vandien.

In 1942 wordt De Jong door de Duitsers aangehouden als preventieve gijzelaar en in 1943 terug vrijgelaten vanwege zijn schildklierzwelling.  De Jong die niet in de verzetsorganisatie zit, helpt toch zoveel hij kan politieke vluchtelingen en joden.  Ook zijn anti-fascistische uitlatingen zijn niet onbekend.  Op 18 oktober 1943 wordt hij dan ook uit wraak door twee Nederlandse SS-ers vermoord in zijn woning te Blaricum.

George moet nu alleen voort.

In Antwerpen krijgt hij steeds meer bekendheid als portretschilder. Na de oorlog verschijnen er politieke tekeningen van van Raemdonck in ‘De volksgazet’, ‘Vooruit’ en ‘Paraat’.

In 1947 vestigt hij zich te Boechout in de Dr. Theo Tutsstraat nr. 39.

Er onstaat nu een nauwe samenwerking tussen Jef Van Droogenbroeck en van Raemdonck.  Het eerste stripverhaal van L. Roelandt (Ps. Van Droogenbroeck) en George na de oorlog vervaardigen is ‘Tijl Uilenspiegel’ naar het verhaal van De Coster.  George tekent hiervoor 971 illustraties.  Het verhaal verschijnt in 1964 in ‘Vooruit’ en wordt met minder tekeningen in boekvorm uitgegeven.  In 1980 wordt dit herdrukt.

Eveneens in ‘Vooruit’ verschijnen ‘Smidje Smee’ een volksverhaal met 143 prenten en ‘Robinson Crusoë’ naar het boek van Defoe met 291 tekeningen. Door ziekte wordt het stripverhaal over de schepping maar voor een klein gedeelte verwezenlijkt en het stripverhaal van ‘Reinaert de Vos’ kon door de dood van van Raemdonck in 1966 niet meer worden gerealiseerd.  L. Roelandt overlijdt in 1979, hij genoot vooral bekendheid als vertaler o.a. van werk van Jan Wolkers in het Frans.

Radioweek uit 1948

Het is ook in de periode 1948 -1958 dat hij illustraties maakt voor de tijdschriften ”t Duifke lacht’ en ‘Pigeon rit’ wel bekend in de Duivensport en in ‘De Radioweek’ een tijdschrift van het toenmalig ‘N.I.R.’ met artikels over muziek, componisten, het radioprogramma e.d.  van Raemdonck maakt hiervoor een groot aantal portretten in houtskool van componisten.

In 1958 werd George 70 jaar, wat een groot feest betekende te Boechout.  Frans Schijvens sticht  een ere-comité met o.a. Gravin Moretus de Boechout,  generaals Thomas en Piraux, componist Jef Van Hoof, schrijver Eugène De Ridder.

George van Raemdonck (m) op de foto met Eugène De Ridder (l) en Jef Van Hoof (r)

Iedereen is aanwezig in feestzaal Doornboom (thans bakkerij Tijl in Boechout), de fanfares blazen het hart uit hun longen , er worden feestredes uitgesproken door o.a. Eugène De Ridder en de 92-jarige Floris De Cuyper.

Dat van Raemdonck het in Boechout naar zijn zin had, kunnen nu nog de bierkaartjes getuigen die hij vol tekende met karikaturen van de stamgasten in het café van Jos Verbruggen, op de hoek van zijn straat dat  eveneens het stamcafé van George was, waar hij ’s avonds zijn pintje dronk.  Verschillende tentoonstellingen volgden zich nog op o.a. in 1954 en 1957 en in 1964 in Bergen-op-Zoom.

De laatste jaren van zijn leven woont van Raemdonck in het bejaardentehuis van de H. Familie te Boechout waar hij op 77-jarige leeftijd, op 26 januari 1966 overlijdt.  Nog steeds kan men in het erepark van het Boechoutse kerkhof zijn graf bezoeken.

Grafmonument in Boechout

Van Raemdoncks tekenwerk dat door sommigen als ouderwets werd aanzien, hij deed niet mee met de modernen van zijn tijd, getuigt echter van een uiterste zorg voor detail, details die bij het bekijken van de tekening nog meer gaan boeien en verwondering en bewondering oproepen.

Hij was een groot kunstenaar, een boeiend kartoenist en een fijne schilder.

Met dank aan Ronald Vanoystaeyen, verantwoordelijke organisator van de George van Raemdonckkartoenale te Boechout.

Uit de expositie van 2014:

Elkaar plagende vrienden
(uit de expositie in 2014)
Uitingen van vriendschap 
(uit de expositie in 2014)
Tabak speelde een belangrijke rol in het leven 
van A.M. de Jong en zijn vriend George van Raemdonck
Samen op vakantie
(uit de expositie in 2014)
Portret van Gudy de Jong (dochter van A.M. de Jong),
vervaardigd door George van Raemdonck.
George van Raemdonck met Co de Jong – Koekebacker
in Menton (Frankrijk 1934)



———————————
Israël Querido

Israël Querido (1872-1932)

Querido, Israël , romanschrijver en criticus 
(Amsterdam 1-10- 1872 – Amsterdam 5-8- 1932). 
Zoon van Aron Querido, diamantbewerker, en Ester Lopes Dias. 
Gehuwd met Janet Sjouwerman op 30-5-1893. 
Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.


Israël, afkomstig uit een Portugees-joodse familie, groeide niet op in het echte arbeidersmilieu van die tijd. Samen met zijn broer Emanuel, de latere uitgever, ging hij naar een particuliere school in plaats van naar de stadsschool. Na zijn veertiende was er echter geen sprake meer van onderwijs en werd hij in de praktijk geschoold als horlogemaker. Bij deze opleiding liep hij een oogbeschadiging op. Vervolgens werkte hij als leerjongen in de diamantindustrie; mede door zijn oogletsel bleef hij niet lang in dat vak. Omstreeks zijn negentiende jaar vestigde hij zich zelfstandig als juwelier; dit liep echter al snel op een financieel debacle uit. Gelukkig kon hij spoedig hierna een betrekking krijgen als verslaggever bij De Amsterdammer. Reeds toen had hij zich geworpen op alles wat de lacunes in zijn kennis op kon vullen. Al lezend in de grote schrijvers der wereldliteratuur, in boeken over schilderkunst, muziek, filosofie, enz., vergaarde hij een uitgebreide kennis van de meest uiteenlopende onderwerpen. Zijn aldus verkregen kennis ging echter niet zeer diep, en daardoor treft ons in zijn werk het, vaak aan autodidacten eigen, blufferig ten toon spreiden van zijn, niet altijd even goed verwerkte, belezenheid en eruditie.

Toen Querido achttien jaren telde, was hij aan een, nooit voltooide, roman begonnen geïnspireerd door Gustave Aimard. Hij debuteerde evenwel met de bundel Verzen (1893), welke in 1894 gevolgd werd door Gedichten. Beide bundels verschenen onder het pseudoniem Theo Reeder; ze bevatten veel onrijp werk, dat een getrouwe kopie was van Gorters hypersensitivistische verzen. Querido was in die tijd een enthousiast lid van ‘De Olievlek’, een clubje jonge arbeiders die over allerlei zaken vaak heftig debatteerden. Gevormd door deze leerschool wierp hij zich, na het fiasco als dichter, volledig op de literaire kritiek. Kritiek beschouwde hij, in navolging van Lodewijk van Deyssel (naast Remy de Gourmont zijn grote leermeester op dit gebied), als een aparte lyrische kunstvorm. Al spoedig verschenen zijn kritieken in De Kunstwereld, later mocht hij ook voor De Amsterdammer een letterkundige kroniek, onder het pseudoniem J.V., verzorgen. Zijn artikelen werden in 1897 als Meditaties over literatuur en leven I gebundeld. Onder het reeds genoemde pseudoniem J[oost] V[erbrughe] werkte hij ook mee aan Le Rêve et l”Idée, het tijdschrift van zijn vriend Maurice le Blond, de schoonzoon van de door Querido zo bewonderde Emile Zola.

In 1897 werd hij lid van de SDAP, waardoor hij in contact kwam met Herman Heijermans, die hem, toen in 1898 De Jonge Gids werd opgericht als socialistische tegenhanger van De Nieuwe Gids, om zijn medewerking vroeg. Querido publiceerde in De Jonge Gids onder meer zijn Studiën over tijdgenooten, waarvan in 1899 het eerste deel in boekvorm verscheen. Over zijn kritische beginselen schreef hij in april 1898 aan Heijermans:’ – Ik wensch niet meer ’n kritiek […] te geven, alleen uit letterkundig gezichtspunt, maar nu voor alles als achtergrond: de geschiedenis, het leven der massa op vijfvoudige basis dus: de geschiedenis van ’t tijdperk, de wijsbegeerte, de wetenschap, de sociale en politieke toestanden, de letterkundige en geestelijke verschijnselen.’ (Maatstaf 12 (1964/65) 482). Hoewel socialist, moest hij Frank (Franc) van der Goes gelijk geven die hem verweet door zo te schrijven de massa van zich te vervreemden; ter verdediging voerde Querido aan dat ook Marx’ hegeliaanse wijsbegeerte niet door de massa begrepen werd.

Inmiddels was Querido wat zijn scheppend werk betreft in de ban geraakt van het toen al niet meer zo nieuwe naturalisme. In zijn eerste roman, Levensgang [1901], trachtte hij, in navolging van Zola’s Germinal, de Amsterdamse diamantbewerkerswereld uit te beelden. Hij volgde ook de werkmethode van Zola: naarstig legde hij archieven aan om zich te documenteren en nauwgezet werkte hij met aantekenboekjes die hij altijd bij zich droeg. Ook Menschenwee . . . [1903], waarin hij het harde bedrijf in de bloembollenstreek beschreef, ontstond volgens dit procédé; voor dit boek vestigde hij zich zelfs metterwoon gedurende een aantal jaren in Beverwijk. Hierna verschenen al spoedig romanfragmenten en essays in tijdschriften als Groot Nederland, De Gids en Nederland. Veel financieel gewin bracht hem dit alles niet; in 1909 werd de Vereeniging Querido opgericht die zich, blijkens het in het Letterkundig Museum bewaard gebleven prospectus, ten doel stelde ‘den dringensten schuldenlast van Querido’s schouders te nemen’. Lid van deze vereniging werden o.a. Marcellus Emants, Ch. Boissevain, F.M. Wibaut en P.J. Troelstra.

Na twee grotendeels autobiografische romans, Zegepraal (1904) en Kunstenaarsleven (1906), schreef hij een vierdelige romancyclus. De Jordaan (1912-1924), toch wel als zijn hoofdwerk te beschouwen. Ook voor deze boeken heeft hij jarenlang ter plekke gegevens en impressies verzameld. Vervolgens zocht hij nieuwe stof te bewerken en vond die in de bijbel en in de oudheid. Resultaten zijn o.m. het toneelstuk Saul en David (1914), het driedelige epos uit Oud-Perzië De oude waereld, met het wel zeer merkwaardige ‘boek der toelichtingen’ daarop (1921), en als vrucht van zijn belangstelling voor oudindische literatuur Misleide majesteit (1926), waarin hij tal van toespelingen vervlocht op zijn literaire vijanden. In dit laatste boek moest vooral zijn broer het ontgelden; deze had immers onder het pseudoniem Joost Mendes in zijn tiendelige Het geslacht der Santeljano’s (Rotterdam, 1918-1929) de familiegeschiedenis uit de doeken gedaan en daarbij zijn broer Israël niet gespaard. Het beste van zijn werk na de Jordaancyclus waren echter zijn dagbladkritieken die hij voor Het Handelsblad schreef.

In 1927 stichtte hij samen met A.M. de Jong, met wie hij al sinds 1919 bevriend was, het socialistisch gerichte literaire tijdschrift Nu, waarin zij heftig ten strijde trokken tegen de in hun ogen te individualistische Nederlandse literatuur. Vooral de expressionistische jongeren rondom de tijdschriften De Gemeenschap en De Vrije Bladen voelden zich aangevallen en uitten hun grieven in het pamflet aNti-schUnd (januari 1928). Uitsluitend de bijdrage van Menno ter Braak daarin, ‘Stand en bevoegdheid van Is. Querido’s literatuur-critiek’, valt op door enige coherentie; de overige bijdragen van o.m. H. Marsman, Jan Engelman, Erich Wichman en Alben Kuyle komen ternauwernood het niveau van een machteloze scheldpartij te boven. Het periodiek Nu ging al na de tweede jaargang in 1929 ter ziele, nadat aan het slot van de eerste jaargang A. M. de Jong zich uit de redactie had teruggetrokken, omdat hij het niet eens was met de strekking van een artikelenserie door Querido over Marsman. Over hem schreef De Jong aan Querido : ‘Ik zie deze krampachtige man zich omhoogwringen aan alle verwarringen van de tijd, en veracht dat bedrijf grondeloos. Maar afgezien daarvan heb ik een maatschappelijk inzicht, dat zich heftig keert tegen juist deze soort literatuurfraaiigheden. Dat maatschappelijk inzicht, die maatschappelike hartstocht mis jij [. . .]’. (Tirade 20 (1976) 365). Hierin is het zelfde verwijt te proeven dat Van der Goes eerder aan Querido’s adres maakte: zijn socialistische visie vond niet haar neerslag in zijn literaire werk; daarin sloot hij veel meer aan bij de individualistische stijl van de Tachtigers.

In deze periode begon Querido opnieuw aan een groots opgezette cyclus, Het volk God’s, waarin hij de geschiedenis van de joodse bevolking van Amsterdam wilde uitbeelden. Querido heeft dit werk echter niet kunnen voltooien. Op 26-7-1932 werd hij voor een ‘zenuwaandoening’ in de Amsterdamse Boerhaavekliniek opgenomen, waar hij plotseling aan een hartverlamming overleed. Zijn vrouw en zijn zoon werden in die tijd op advies van de arts Arie Querido, de zoon van Emanuel, verpleegd in de psychiatrische inrichting Het Apeldoomsche Bosch. Al tijdens Querido’s leven verouderde zijn werk snel. Wie het pathos ervan niet kan accepteren, zal echter zijn boeken toch kunnen waarderen om hun bouw, hun forse conceptie en om de levendigheid van sommige details, maar zal blijven steken in de overdaad aan adjectieven en onmogelijke woordkoppelingen. Wat beklijft is zijn essayistisch werk, dat weliswaar gebukt gaat onder het al te nadrukkelijk ten toon spreiden van zijn eruditie, maar waarin tevens juiste oordelen en zienswijzen aangetroffen kunnen worden. Een opstel als ‘Remy de Gourmont, Balzac en Sainte Beuve’, opgenomen in zijn Groote figuren (1930) blijft tot de hoogtepunten in zijn kritisch werk behoren.

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)

Maak je eigen website aan bij WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close